Deze website maakt gebruik van cookies

CCE maakt standaard gebruik van functionele en analytische cookies. Overige cookies plaatsen we alleen met jouw toestemming. Je kunt alle cookies accepteren of specifieke keuzes maken via de aangepaste instellingen

Meer informatie over cookies op deze website

Cookie instellingen

Selecteer de cookies die je wilt accepteren. Je kunt meer lezen over cookies en jouw privacy in onze statement.

Cookie-opties

Cookies die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de website.

Analytische cookies houden anoniem bezoekgegevens bij die wij gebruiken om onze website te verbeteren.

Analytische cookies die extra tracking van webstieverkeer mogelijk maken om de website te verbeteren. Denk aan het gebruik van Hotjar voor het uitvragen van feedback op onze website.

Cookies van derden, zoals Youtube, Vimeo en Springcast, die worden uitgezet op onze website. Op onze website ontsluiten wij content van deze diensten voor o.a. video’s en podcasts. Deze cookies worden gebruikt om gepersonaliseerde aanbevelingen te geven en advertenties te tonen binnen video’s.

Suïcidaliteit in de jeugdzorg: blijf contact maken

Als zorgverlener kun je je flink machteloos voelen, als je te maken krijgt met een kind dat ernstig suïcidaal is. Toch loont het om te blijven proberen contact te maken, blijkt uit promotieonderzoek van Shireen Kaijadoe. Ze deed dat onderzoek samen met ervaringsdeskundige zorgprofessionals, waaronder Sanne Dierick. Shireen en Sanne gaan over het onderwerp in gesprek met CCE-coördinator Marieke Brouwer. 

Stel, je bent een meisje van veertien bij wie sprake is van een ernstige depressie en suïcidaliteit, en je woont al een jaar niet meer thuis bij je familie. In plaats daarvan woon je in een JeugdzorgPlus-instelling met tien andere jongeren, allemaal met hun eigen problemen, en houden zorgverleners je continu in de gaten. Wat heb je nodig van die zorgverleners? Menselijk contact en nabijheid, concludeerde Shireen Kaijadoe, onderzoeker bij Karakter, in haar promotieonderzoek aan de Radboud Universiteit. In een van de deelstudies vertellen 11 meisjes tussen 12 en 18 jaar over hun ervaringen in de gesloten jeugdzorg. “Op de vraag wat voor reactie ze zouden willen krijgen na een suïcidepoging of bijvoorbeeld automutilatie of woede-uitbarstingen, antwoordden ze bijna allemaal iets als: dat er iemand naast me komt zitten en een arm om me heen slaat, of me even een knuffel geeft. Dat vond ik van zo’n eenvoud, maar dat gebeurt dus vaak niet.” In plaats daarvan kregen de jongeren te maken met dwangmaatregelen die ze als extra beschadigend ervoeren, zoals fixatie, alarm slaan of cameratoezicht.

De andere kant van het verhaal, die ook ruimschoots in Kaijadoe’s onderzoek aan bod komt, is dat suïcidepogingen voor de zorgmedewerkers ongelofelijk stressvol en emotioneel zwaar zijn. Door het gevoel van machteloosheid, angst en handelingsverlegenheid belanden ze vaak in een vicieuze cirkel van repressieve maatregelen waar niemand gelukkiger van wordt. “Bij suïcidaal gedrag zijn zorgmedewerkers vaak geneigd te gaan beheersen als een situatie onveilig lijkt. Het is moeilijk daar uit te komen,” weet ook CCE-coördinator Marieke Brouwer. Voordat ze bij CCE kwam, werkte ze als GZ-psycholoog onder andere in de gesloten jeugdzorg. In die tijd maakte ze zelf suïcidepogingen en ook enkele suïcides van dichtbij mee, wat haar niet in de koude kleren ging zitten.

‘Echt’ zijn

Hoe doorbreek je zo’n negatieve spiraal? Hoe maak je weer écht contact met een jongere met suïcidale gedachten en gevoelens? En hoe kun je als zorgverlener goede zorg verlenen en tegelijkertijd jezelf niet voorbij lopen? Over die zoektocht gaat Marieke in gesprek met Kaijadoe. Ook Sanne Dierick sluit bij het gesprek aan. Zij werkt als projectleider ExpEx Midden-Holland bij stichting KernKracht en als ervaringswerker. Ze was een van de ervaringsdeskundigen die nauw met Kaijadoe samenwerkte voor haar onderzoek, onder andere door interviews mee af te nemen met zowel zorgverleners als kinderen. Want dat is al één manier om meer contact te maken: kinderen in de jeugdzorg stellen zich soms sneller open tegenover zorgverleners die weten hoe het is om aan die andere kant te zitten. 

Sanne was ooit zelf een jongere die in een (open) jeugdzorginstelling woonde en worstelde met depressie en suïcidaliteit. Ze ging daarna de opleiding SPH doen. “Maar toen ik aan het werk ging in de zorg, merkte ik dat ik de toegevoegde waarde van mijn eigen ervaring miste.” Er werd verwacht dat ze een professionele afstand hield tot de kinderen waarmee ze werkte. “Wat raar is, want toen ik zelf in behandeling was, vond ik het heel fijn als mensen zich ‘echt’ gedroegen ten opzichte van mij. Waarom moet er zo’n sterke afsplitsing zijn tussen ‘wij’, de zorgverleners, en ‘zij’ de cliënten? Pas toen ik de ExpEx-training tot ervaringsdeskundige deed, kreeg ik het gevoel dat ik eindelijk mezelf kon zijn. Toen voelde ik dat ik dat ook als zorgprofessional wilde.” 

Openheid in het team

Meer van jezelf laten zien als zorgprofessional betekent ook opener zijn tegenover collega’s over wat je zelf hebt meegemaakt en hoe je je in moeilijke zorgsituaties voelt. 

Marieke: “Tegenwoordig praten teams in de jeugdzorg meer over het onderwerp suïcide dan voorheen. Dan blijkt vaak dat velen binnen zo’n team te maken hebben gehad met suïcidaliteit of suïcide in eigen familie- of vriendenkring. Dat wisten collega’s voorheen niet van elkaar.”

Shireen: “Nog steeds niet altijd. Jeugdzorginstellingen nodigen me weleens uit om te vertellen over mijn onderzoek, bijvoorbeeld bij een teamvergadering. Het eerste wat ik dan doe is iets over mezelf vertellen, en dat ik zelf ook ervaring heb met ontregeling in mijn jeugd. Dan merk ik: omdat ik open ben geweest, durven mensen uit zo’n team zich daarna ook open te stellen.
Op het moment dat je elkaars achtergrond kent, krijg je binnen een team meer begrip voor elkaar. Dan kun je elkaar beter steunen als je er even doorheen zit of het gewoon even niet meer weet. Want je moet het met elkaar doen. De vermoeidheid, handelingsverlegenheid, uitzichtloosheid in een team: dat wordt allemaal steeds groter als er niet over wordt gesproken.”

Meer openheid in het team maakt beter contact met de jongeren hopelijk ook gemakkelijker. Shireen: “Nu schroeven medewerkers soms zelfs het kinderzitje van hun fiets, om niet te laten zien dat ze zelf kinderen hebben. Hoe gaat een kind zich openstellen als je als professional niets van jezelf laat zien?”

Marieke: “Daar moeten professionals in gesteund en gefaciliteerd worden. Ik zie genoeg medewerkers die opener willen zijn, maar daar niet genoeg ruimte voor krijgen of voelen. Dat kan komen doordat ze veel taken hebben tijdens een dienst en er weinig tijd lijkt te zijn voor ‘gewoon contact’. Maar ook doordat het nog lang zo normaal niet is om als zorgmedewerker meer van jezelf als persoon te laten zien. Shireen: “Door druk van bovenaf zijn zorgmedewerkers vaak vooral bezig met crisismanagement: als het fout gaat en een kind overlijdt, dan heeft de instelling een probleem. Dus probeer je dat te vermijden met overmatig risicomanagement en beheersmatige veiligheidsmaatregelen.” 

Marieke: “Hier is qua beleid een en ander aan vooraf gegaan. De bedden in de jeugd-ggz werden vanaf ongeveer 2015 afgebouwd en in de reguliere jeugdzorg wisten ze niet wat ze met suïcidaliteit aan moesten. Dus kwamen veel van deze kinderen via een machtiging van de kinderrechter in de JeugdzorgPlus terecht, die ook nauwelijks op hen was ingericht. Ineens kreeg de JeugdzorgPlus er dus kinderen bij die zichzelf op alle mogelijke manieren iets proberen aan te doen, terwijl ook daar de expertise om hiermee om te gaan ontbrak. Er werd ingezet op veiligheid en de onveilige situatie beheersen, terwijl dat haaks staat op wat het kind nodig heeft.”

Samen lachen

Toch is het mogelijk om weer uit die negatieve dynamiek te komen, blijkt uit een casus in het proefschrift. Shireen: “Dat meisje deed zes of zeven suïcidepogingen per dag. De zorgprofessionals zaten er totaal doorheen en reageerden steeds repressiever. Twee ervaringsprofessionals uit ons team hebben toen heel voorzichtig het contact met het meisje opgebouwd, door wekelijks bij haar in de isoleerruimte langs te gaan. Ze spraken met haar over wie ze was, wat ze had meegemaakt, wat haar dromen waren, wat ze later wilde worden. Maar het belangrijkste was misschien wel dat ze lol hadden. Dat meisje zei na een van de eerste ontmoetingen: ik heb in 1,5 jaar op deze afdeling voor het eerst weer met iemand samen gelachen. Vanuit die basis zijn we het contact gaan bestendigen en bij haar gaan aansluiten, door dingen te doen die zij wilde doen. Wandelen bijvoorbeeld, want ze mocht niet meer naar buiten vanwege de risico’s.”

Voor het team was het spannend, om die ervaringsprofessionals van buitenaf met het meisje aan de slag te laten gaan op hun eigen manier. Shireen: “Je hebt binnen de organisatie ambassadeurs nodig die de ervaringsprofessionals steunen. Denk aan de directeur, maar ook bijvoorbeeld de kinder- en jeugdpsychiater of de behandelcoördinator. En je moet goed contact met elkaar houden. Met het behandelteam van dit meisje zaten we elke paar weken om tafel, met het meisje erbij. Na ongeveer een jaar verliet ze de instelling. We hebben nog steeds contact. Laatst ben ik nog met haar gaan koffiedrinken, ze staat goed in het leven.”

Ervaringsdeskundigheid

Zowel in het onderzoek van Shireen als tijdens de interventies waar ze sindsdien bij betrokken is, ziet ze hoeveel waarde ervaringsdeskundigen kunnen toevoegen. Al noemt ze hen liever ‘zorgprofessionals met eigen ervaring’, want ze hebben net als Sanne allemaal een opleiding in de zorg gedaan. 

Sanne: “Als zorgprofessional met ervaring gaat het over de vraag wat je expliciet inzet en meeneemt in je werk, van je eigen ervaringen. Dat gaat niet alleen over mijn ervaring als jongere in een behandelkliniek, want daar eindigde het niet. Toen ik daar uit kwam, heb ik het misschien nog wel moeilijker gehad. Ineens woonde ik op mezelf, moest ik gaan werken en mijn havo afmaken. Dat wilde ik allemaal doen om te laten zien dat ik mijn plekje in de samenleving waard was. Maar hoe doe je dat, leven in de open wereld, na alles wat je hebt gezien en meegemaakt? En hoe ga je om met het stigma, dat je ook jezelf oplegt? Die ervaringen zijn waardevol en daarmee kan je de verbinding met jongeren zoeken.”

Shireen: “Er is een neiging om te denken dat een ervaringsdeskundige met autisme een cliënt met autisme moet begeleiden, iemand met ervaring met eetstoornissen een cliënt met een eetstoornis, et cetera. Maar het gaat om wat Sanne zegt, de weg naar herstel. Het feit dat je hebt meegemaakt hoe het is om aan die andere kant te zitten en daar uit te komen, je weg in de maatschappij vinden. Jongeren hebben veel aan zulke herstelervaringen.” 

Marieke: “Ook bij CCE staan we stil bij wat ervaringsdeskundigheid is en welke ervaringsdeskundigheid we binnen onze consulentenpoule hebben. Zo hebben we in de poule ervaringsdeskundigen zoals Sanne, maar bijvoorbeeld ook consulenten die ervaring hebben met de zorg als familielid van een kind met een verstandelijke beperking. 
Een volgende vraag is hoe en wanneer je een ervaringsdeskundige als CCE-consulent inzet. Om breed te kijken naar een consultatievraag ligt het voor de hand iemand erbij te betrekken die de situatie goed kan aanvoelen vanuit ervaringsdeskundigheid. Dat gebeurt inmiddels meer, maar waarschijnlijk nog te weinig in de praktijk, ook in CCE-consultaties.”

Shireen: “Wie bepaalt bij consultaties of er een ervaringsdeskundige bij komt?”

Marieke: “Dat gaat via de CCE-coördinator, vaak in gesprek met degene waar het om gaat en de andere betrokkenen. Als het om een jongere gaat, wil je natuurlijk graag diens stem horen. Soms komt daar al een ervaringsdeskundige aan bod, omdat het de betrokken hulpverleners niet meer lukt om met de jongere in contact te komen. Maar ook gaandeweg consultaties kunnen we besluiten ervaringsdeskundigheid erbij te betrekken.”

Sanne: “Het zou mooi zijn als ervaringsdeskundigheid standaard onderdeel van een team wordt, in plaats van per jongere bekijken of het passend is.” 

Vertragen

Als het contact met een jongere eenmaal is gelegd, hoe stimuleer je vervolgens op een positieve manier beweging in situaties die vastgelopen lijken? Vertragen, benadrukt Sanne. “Mensen willen soms te snel. Dat snap ik, want je gunt een jongere het beste. Dan kun je ongeduld voelen als die jongere niet zo snel beweegt als je zelf denkt dat zou kunnen. Maar door mee te gaan in het tempo van de jongere, kun je op lange termijn meer bereiken.” 

Sanne vertelt als voorbeeld over een meisje met sociale angst waar ze als ervaringsdeskundige zorgprofessional wekelijks mee afsprak. “Zij was al lang niet onder de mensen geweest, het team was van mening dat ze star was en niets wilde. Maar bij mij gaf ze voorzichtig aan dat ze ‘misschien’ wel iets met andere mensen wilde doen. Dat hebben we stapsgewijs opgebouwd. Eerst liepen we samen langs een ervaringscafé voor jongeren en keken naar binnen. Een aantal weken later speelden we samen een spelletje in een aparte kamer boven dat ervaringscafé, daarna met een derde persoon erbij. Tijdens die afspraak met z’n drieën kwam per ongeluk een andere jongen binnenlopen. Terwijl ik al met hem naar buiten liep, vroeg dat meisje: misschien wil hij meedoen? Dus hij kwam erbij. De week daarna durfde ze beneden aan het ervaringscafé mee te doen.”

Marieke: “Dat is een hoopgevend voorbeeld. Als zorgverleners willen we het vaak groter en ingewikkelder maken dan nodig. Terwijl het draait om aansluiten bij de jongere, luisteren, de tijd nemen.”

Shireen: “Aansluiten vraagt om professionele bescheidenheid. Het is een andere taal, waarin contact centraal staat. Dat bouw je eerst uit, pas daarna kun je kijken naar behandeldoelen.”

Sanne: “Intervisie en steun van collega’s is daarin wel belangrijk. Ik twijfel ook weleens of het zin heeft wat ik doe als ik weinig vooruitgang zie. Dan heb ik er veel aan als ik daarover binnen het team kan overleggen.”

Waar daarnaast vaak winst is te behalen, is in de sociale kring van het kind. Marieke: “In consultaties merken we vaak dat contacten buiten de kring van professionals achterop of soms zelfs buiten beeld zijn geraakt. We stimuleren in CCE-consultaties altijd om volledig in kaart te brengen wie er betrokken zijn bij het leven van het kind. Zijn het niet de ouders, dan zijn er altijd wel andere familieleden of kennissen. Vraag zo’n kind ook gewoon: wie zijn er belangrijk voor jou? Hen actiever erbij betrekken blijkt vaak niet eens zo moeilijk, terwijl het voor een kind van wezenlijk belang is.”

Sanne: “Eigenlijk gaat het niet over de vraag óf je ouders erbij gaat betrekken. Die zijn er per definitie bij betrokken. Ze zijn er al, daar kun je niet omheen. Dus de vraag is hóe je met hen gaat samenwerken.” 

Interesse tonen

Gelukkig maken veel jeugdzorgorganisaties steeds meer echt werk van intervisie en aansluiten bij de jongeren, zien alle drie de gesprekspartners. En er is veel veerkracht en goede wil onder zorgprofessionals, zelfs onder druk van bezuinigingen en personeelsverloop. 

Sanne: “Er is veel dat je niet kunt veranderen als zorgprofessional, maar je kunt genoeg kleine dingen wel doen. Denk aan iemands lievelingseten koken, diens favoriete thee meenemen, een knipoog geven.”

Marieke: “Simpelweg interesse tonen is al pure winst. Contact maken begint echt met aandacht; met tijd en ruimte maken om het kind te leren kennen, zelfs als de werkdruk hoog is.”

Sanne: “Dat is wederkerig. Het kind moet jou ook leren kennen. En laten we niet invullen, maar vragen aan een jongere wat diegene nodig heeft. Het ene kind heeft soms een knuffel nodig, de andere schrikt daar juist van.”

Shireen: “Als je echt bang bent dat het fout zou kunnen gaan met een kind dat suïcidaal is, wees daar open over naar je collega’s. Stop je gevoel niet weg, anders riskeer je te verharden. Voel wat je voelt. En praat erover, dat vermindert stress. Werken met jongeren die suïcidaal zijn kan heel zwaar zijn. Het is belangrijk om goed voor jezelf te zorgen.”

Tekst door: Anouk Broersma

Shireen Kaijadoe

Suïcidaliteit in de gesloten jeugdzorg vraagt om bespreekbaar maken in plaats van beheersen. De inzet van ervaringsdeskundigen heeft een positieve invloed op jongeren die suïcidaal zijn en biedt ook meerwaarde voor behandelteams.
Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Shireen Kaijadoe, werkzaam bij Karakter. Op 16 december 2024 promoveerde zij aan de Radboud Universiteit op haar proefschrift 'Breaking silence: Adolescent suicidality in secure residential youth care from different perspectives'. Het proefschrift is te downloaden via de Radboud Universiteit.